Minister antwoordt op vragen van kamerleden

Weer heeft de minister van Veiligheid en Justitie I. Opstelten vragen moeten beantwoorden van de kamerleden Oskam en Omtzigt (CDA) over het reisgedrag van mr. J. Demmink, de gepensioneerde secretaris-generaal van het departement van Justitie die achtervolgd wordt door beschuldigingen over verkrachting en seksueel misbruik van minderjarige jongens. De voormalige topambtenaar had plechtig laten weten dat hij al enkele decennia niet meer in Turkije is geweest – volgens getuigen het jachtterrein van de oud secretaris-generaal. Zijn minister I. Opstelten was vierkant achter hem gaan staan. Aan een verslaggever van het Algemeen Dagblad dicteerde hij  ‘dat er geen aanleiding was te twijfelen aan de integriteit’ van zijn eerste ambtenaar. De stem van de minister echode na in Washington waar ambassadeur Bekink het nóg stelliger opschreef in een brief aan Amerikaanse congresleden: ‘De beschuldigingen tegen mr. Demmink zijn diepgaand onderzocht door het Openbaar Ministerie dat vaststelde dat Demmink in de bewuste periode niet in Turkije is geweest.’

Intussen is vanuit Turkije een document verschenen waarin staat dat Demmink wel degelijk in Turkije is geweest in de door hem ontkende periode. Nee, schrijft minister Opstelten nu, het openbaar ministerie heeft de autoriteiten in Turkije nimmer gevraagd of Demmink het land in de bewuste periode misschien toch wel eens is binnen gereisd. Dat hoefde niet want de minister heeft altijd zeker geweten ‘dat er geen aanleiding was te twijfelen aan de integriteit van de topambtenaar’. En Bekink, als een loyale his master´s servant, praatte hem na.

Inmiddels heeft Opstelten het document uit Turkije aan het Openbaar Ministerie overhandigd die ‘de relevantie’ zal onderzoeken. De antwoorden van de minister op vragen van de CDA Kamerleden zijn overigens niet steeds even correct. Hij schrijft dat er gerede twijfel bestaat aan de betrouwbaarheid van de in 2011 in Nederland opgenomen aangifte van de straatjongen die door Demmink volgens zijn verklaring is meegenomen en verkracht. Er is bovendien ´enkele maanden gewacht op een tweede Turkse aangever die een verklaring zou afleggen maar die aangifte bleef uit´. Hij doelt op aangifte van Mustafa. Maar er is niet op hem gewacht, het landelijk parket heeft met de traagheid van de wil zijn verklaring uit september 2008 opgepakt, alsmaar gerekt en uitgesteld. De jongen werd ondertussen in Turkije geïntimideerd en bedreigd door vijandige machten die wilden dat hij zijn verklaringen introk. De jongen zag tenslotte af van zijn reis naar Nederland. Hij heeft de Nederlandse autoriteiten wel aangeboden alle vragen over zijn aangifte te beantwoorden als hij via een officieel rechtshulpverzoek in Turkije over zijn ervaringen zou worden gehoord. Op dit aanbod zijn de Nederlandse autoriteiten niet ingegaan.

Bovendien is het onjuist dat het Turkse document nog deel uitmaakt van een gerechtelijk procedure in Turkije. Dit zou volgens minister Opstelten de reden zijn dat de Turkse autoriteiten geen toelichting op de inhoud van het document kunnen geven. Maar het document zelf behelst een beslissing tot afwijzing van een gedane aangifte en tegen deze beslissing is door de aangever geen beroep ingesteld.

Hieronder de vragen van de Kamerleden en de antwoorden van de minister

 

2    

Klopt het dat het Turkse openbaar ministerie stelt dat uit in- en uitreisgegevens uit het onderzoeksdossier is gebleken dat de verdachte Joris op 20 juli 1996 Turkije is ingereisd?

 

3     

Wanneer is deze informatie bekend geworden bij de Nederlandse autoriteiten en welke actie is daarop ondernomen?

 

Antwoord 2 en 3

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie ontving op 14 juni 2013 een kopie van een document betreffende een Turkse sepotbeslissing in een zaak waarbij in Turkije aangifte was gedaan tegen o.a. een oud-ambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In het document was een verwijzing opgenomen naar gegevens in een (aangifte-)dossier, die betrekking zouden hebben op de in- en uitreisregistratie van de oud-ambtenaar in Turkije. Nadat ik hierover nog dezelfde dag ben geïnformeerd heb ik opdracht gegeven om deze informatie in handen te stellen van het openbaar ministerie, in ieder geval om de relevantie van het document voor een nog lopende artikel 12 Strafvordering-procedure te beoordelen (zie hierna het antwoord op vraag 4). De Turkse autoriteiten hebben desgevraagd aan de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken van mijn ministerie het bestaan van een dergelijk document bevestigd op 19 juni 2013. Aangezien het document volgens de Turkse autoriteiten deel uitmaakt van een rechterlijke procedure aldaar, konden zij echter geen nadere toelichting geven op de inhoud en de betekenis van het document.

Het Nederlandse openbaar ministerie onderzoekt momenteel de achtergronden bij deze Turkse aangifte en sepotbeslissing omdat deze van belang kunnen zijn in de nog lopende artikel 12 Strafvordering-procedure bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.

 

4      

Heeft het Nederlandse openbaar ministerie in het oriënterende feitenonderzoek aan de Turkse autoriteiten gevraagd of de verdachte Turkije is ingereisd in de periode 1990-2013 of niet? Zo ja, kunt u dan het antwoord van de Turkse autoriteiten op die vraag aan de Kamer doen toekomen?

 

Antwoord

Neen, het openbaar ministerie heeft de Turkse autoriteiten niet gevraagd of de betrokken oud-ambtenaar Turkije is ingereisd. Het oriënterend feitenonderzoek waarnaar in de vraag wordt verwezen, is afgesloten in februari 2012. Het betrof een onderzoek naar een in Nederland gedane aangifte door een Turkse persoon tegen de oud-ambtenaar. Bij brief van 3 oktober 2012 (Kamerstukken TK 2012/2013, 33 400 VI, nr. 3) heb ik uw Kamer gemeld dat het Landelijk Parket de beslissing had genomen dat geen strafrechtelijk onderzoek naar de betrokken ambtenaar zou worden ingesteld. Er bestond gerede twijfel aan de betrouwbaarheid van deze in 2011 in Nederland opgenomen aangifte. Daarnaast had de Rijksrecherche enkele maanden gewacht op een tweede Turkse aangever die een verklaring zou afleggen over soortgelijke feiten, maar deze aangifte bleef uit. De wel afgelegde aangifte was zoals gebruikelijk in dergelijke gevallen voorgelegd aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ). De LEBZ concludeerde in een rapport van juni 2011 dat het verhaal van de aangever niet consistent was en op meerdere plaatsen te weinig details bevatte. Volgens de LEBZ kon niet worden gesteld dat de aangifte betrouwbaar was.

Gelet op de aard van de aangegeven feiten en de ernst van de beschuldiging heeft de Rijksrecherche toch verder onderzoek gedaan. Zo is in dit oriënterend feitenonderzoek ook onderzocht of de oud-ambtenaar reisbewegingen heeft gemaakt naar Turkije, alsmede of hij in dat land zou hebben verbleven in de periode waarin de strafbare feiten zouden hebben plaatsgevonden. De Rijksrecherche heeft behalve betrokkene zelf, ook een aantal getuigen gehoord en onderzoek gedaan naar dienstreizen en paspoorten in de desbetreffende periode. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat betrokkene in de desbetreffende periode naar Turkije zou zijn gereisd of daar heeft verbleven. Gezien het ontbreken van een strafrechtelijke verdenking tegen de toenmalige ambtenaar, achtte het openbaar ministerie geen grond aanwezig om de Turkse autoriteiten via een rechtshulpverzoek aldaar (nader) onderzoek te laten uitvoeren naar in- en uitreisregistraties van de ambtenaar. Ik verwijs tevens naar mijn brieven van 2 februari 2012 (Kamerstukken TK 2011/2012, 33 000 VI, nr. 80) en 8 oktober 2012 (Kamerstukken TK 2012/2013, 33 400 VI, nr. 4), naar het op 4 december 2012 gegeven antwoord van de Minister van Buitenlandse Zaken en mij op de vragen van de leden Omtzigt en Oskam van 5 november 2012 (Aanhangsel Handelingen TK 2012/2013, 691) en naar het op 27 februari 2013 gegeven antwoord van mij, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, op de vragen van de leden Oskam en Omtzigt van 10 januari 2013 (Aanhangsel Handelingen TK 2012/2013, 1459).

 

Ik hecht eraan te benadrukken dat het openbaar ministerie de persoon die in Nederland aangifte heeft afgelegd, op de hoogte heeft gesteld van de beslissing en daarbij vanzelfsprekend heeft vermeld dat daartegen op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering een klacht kon worden ingediend bij het Gerechtshof. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Deze procedure loopt nog. Dat betekent dat de beslissing van het openbaar ministerie op dit moment derhalve nog onderwerp vormt van een rechterlijke procedure.

 

5      

Indien de Turkse autoriteiten niet gevraagd is naar de reisbewegingen, waarom kon ambassadeur Bekink dan met grote stelligheid beweren dat bewezen was dat deze persoon nooit in Turkije geweest was in die periode?

 

Antwoord

In de brief van de ambassadeur doelde deze op de uitkomst van het oriënterend feitenonderzoek zoals bij het antwoord op vraag 4 is uiteengezet. Ik moge ook verwijzen naar het op 4 december 2012 gegeven antwoord van de Minister van Buitenlandse Zaken en mij op de vragen van de leden Omtzigt en Oskam van 5 november 2012, in het bijzonder het antwoord op vraag 11.

 

6      

Bent u bereid de ambassadeur te vragen een nadere brief met uitleg te sturen aan de Amerikaanse congresleden, nu nieuwe omstandigheden aan het licht gekomen zijn?

 

Antwoord

De Minister van Buitenlandse Zaken en ik zien geen aanleiding om de ambassadeur een dergelijk verzoek te doen. Met de brief die de Nederlandse ambassadeur destijds heeft geschreven, reageerde hij op een brief die enkele congresleden hadden gezonden aan de voorzitter van de delegatie van het Europese Parlement voor de relaties met de VS, en gaf hij aan wat de uitkomst van diverse procedures was. In de uitkomst van die procedures is tot op heden geen verandering gekomen. Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 4, is de beslissing die het openbaar ministerie in 2012 nam om geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen, op dit moment nog onderwerp van een procedure bij de rechter.

 

7      

Klopt het dat de Nederlandse overheid de kosten van de advocaat van de oud-topambtenaar vergoedt in een zaak die de oud-topambtenaar zelf heeft aangespannen tegen het AD?

 

Antwoord

In mijn brief van 8 oktober 2012 heb ik uw Kamer naar aanleiding van enkele publicaties bericht dat ik de toenmalige secretaris-generaal van mijn ministerie volledig steunde bij het treffen van rechtsmaatregelen daartegen. Deze steun had mede betrekking op de vergoeding van daarbij redelijkerwijs te maken kosten. Mijn ambtsvoorgangers zijn in vergelijkbare situaties reeds eerder tot betaling van declaraties overgegaan. Artikel 69, eerste lid, van het ARAR geeft aan het bevoegd gezag de bevoegdheid een ambtenaar naar billijkheid schadeloos te stellen, kosten te vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming te verlenen. Mijn ambtsvoorgangers hebben toepassing van die bepaling aangewezen geacht indien moest worden aangenomen dat betrokkene voorwerp van publicaties was geworden in verband met zijn functie bij het toenmalige Ministerie van Justitie. Dat was bijvoorbeeld het geval toen bij de Raad voor de Journalistiek werd opgetreden tegen onnodig diffamerende publicaties. De overheid is als iedere werkgever gehouden zijn werknemers te beschermen tegen onrechtmatige uitingen die rechtstreeks of indirect verband houden met de functie-uitoefening. Die bescherming kan bijvoorbeeld vorm krijgen in het vergoeden van kosten voor het voeren van verweer of voor het verlenen van bijstand in een artikel 12-Strafvorderingprocedure waarin betrokkene wordt uitgenodigd om zich over de tegen de beslissing van het openbaar ministerie gerichte klacht over niet-vervolging te uiten, of juist voor het optreden als eisende partij bij het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak.

De gehoudenheid tot bescherming van de werknemer kan anders komen te liggen indien deze onderworpen wordt aan strafvervolging. In het ARAR is bijvoorbeeld geregeld dat een ambtenaar van rechtswege is geschorst wanneer hij in voorlopige hechtenis is genomen en dat een ambtenaar kan worden geschorst indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld. Beide situaties hebben zich jegens de toenmalige secretaris-generaal van mijn ministerie nimmer voorgedaan.

Overeenkomstig de door mijn ambtsvoorgangers ingezette lijn, heb ik ermee ingestemd dat de kosten van de civiele procedure die de toenmalige secretaris-generaal – met mijn instemming – in oktober 2012 aankondigde, door het ministerie worden vergoed. Het object van deze procedure is een publicatie die plaatsvond op een moment waarop betrokkene nog secretaris-generaal bij mijn ministerie was. Vanzelfsprekend heb ik voorzien dat de civiele procedure niet zou zijn beëindigd voordat betrokkene met pensioen zou gaan en dat de redelijkheid en billijkheid in een dergelijk geval met zich zouden brengen dat ook de kosten die daarna voor deze procedure nog zouden moeten worden gemaakt, zouden worden vergoed, voor zover zij redelijkerwijs voortvloeien uit deze procedure. Op dezelfde grondslag heb ik ermee ingestemd dat de kosten worden vergoed voor de bijstand in de artikel 12-Strafvorderingprocedure waarin betrokkene is opgeroepen om zich te uiten over de klacht die is gericht tegen de beslissing van het openbaar ministerie om geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

 

8      

Hoe hoog zijn de totale advocaatkosten die vergoed zijn en hoe hoog zijn de kosten die per uur aan de advocaat van de oud-topambtenaar vergoed worden?

 

Antwoord

De tot nu toe vergoede kosten in verband met de door de voormalige secretaris-generaal tegen het AD aangevangen procedure respectievelijk in verband met de tegen de beslissing van het openbaar ministerie gerichte klachtprocedure bedragen – inclusief verschotten en BTW – €25.435,16 respectievelijk €13.388,05.

 

9      

Op welke rechtsgrond staat de Nederlandse staat een oud-topambtenaar juridisch bij in rechtszaken die hij zelf aanspant? Heeft u hiertoe zelf een besluit genomen?

 

Antwoord

Anders dan in de vraagstelling besloten ligt, verleent de Nederlandse Staat geen juridische bijstand aan de oud-ambtenaar. De Staat vergoedt de kosten van diens advocaat. Artikel 69 van het ARAR biedt de grondslag voor het vergoeden van kosten aan een ambtenaar. In dit geval heb ik – in lijn met mijn ambtsvoorgangers – geoordeeld dat de door de ambtenaar te maken kosten betrekking hadden op een procedure gericht tegen een uiterst diffamerende beschuldiging waarvan de publicatie nauw verband hield met de functie van betrokkene. Dat verband is na het defungeren niet verloren gegaan. Daarom steunde ik de ambtenaar volledig bij het treffen van rechtsmaatregelen en heb ik ermee ingestemd om de redelijkerwijs te maken kosten van de procedure voor vergoeding in aanmerking te brengen.

Zoals in het antwoord op vraag 7 al gemeld, brengen de redelijkheid en billijkheid met zich mee dat de vergoeding van kosten van deze procedure ook betrekking heeft op de kosten die worden gemaakt nadat betrokkene eervol is ontslagen in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daarbij is relevant dat de bepaling van artikel 69 ARAR niet alleen betrekking heeft op ambtenaren maar, gelet op artikel 1 van de Ambtenarenwet, ook op gewezen ambtenaren.

 

10 

Kunt u één vergelijkbaar geval noemen waarin een voormalig ambtenaar juridische kosten vergoed kreeg voor een zaak die hij zelf aanspande?

 

Antwoord

Zoals in het antwoord op de vragen 7 en 9 aangegeven, kunnen zich omstandigheden voordoen – ook bij andere overheidswerkgevers – waarin ook aan een gewezen ambtenaar kosten worden vergoed van een juridische procedure. Bij werkgevers waarbij de vraag zich vaak kan voordoen, zijn specifieke regelingen getroffen voor het vergoeden van kosten van procedures. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de regeling die door het Ministerie van Defensie is getroffen en naar de regeling die geldt voor de politie. Daarnaast staan nog de gevallen waarin een werkgever aan een werknemer een deel van of alle kosten vergoedt van de procedure die deze zelf tegen de werkgever heeft aangespannen.

 

11  

Is er een overeenkomst (mondeling of schriftelijk, formeel of informeel) over welke advocaatskosten de oud-topambtenaar mag declareren bij de Nederlandse staat? Zo ja, kunt u die overeenkomst dan aan de Kamer doen toekomen?

 

Antwoord

Neen. Er is sprake van een eenzijdige rechtshandeling, gebaseerd op artikel 69 van het ARAR, welke tot uitdrukking komt in de feitelijke vergoeding van de kosten. Een overeenkomst is daarbij niet aan de orde.

 

12  

Deelt u de mening dat het niet gepast is dat de juridische bijstand van de oud-topambtenaar gedragen wordt door de Nederlandse staat en bent u bereid om ervoor te zorgen dat dat niet langer gebeurt?

 

Antwoord op vraag 12

Neen. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 9.