‘VERKNIPT BEWIJS’, EEN BOEK VAN TON DERKSEN OVER DE ZAAK BAYBASIN – MANIPULATIE, BEDROG, ONBETROUWBARE TOLKEN, ONZIN EN VOOROORDELEN VAN HET OPENBAAR MINISTERIE BEZORGDEN BAYBASIN LEVENSLANG

gepubliceerd op 12 mei 2014

(klik hier voor de pdf-versie van dit artikel)

door Rudie van Meurs*

Een van de meest curieuze zinnetjes uit het dossier van Hüseyin Baybasin, die in Nederland een levenslange gevangenisstraf uitzit, is de vertaling van een getapt gesprek in de zogenaamde Kentucky-zaak. De hoofdpersoon vraagt, althans in de interpretatie van het Openbaar Ministerie, een huurmoordenaar om hulp en zegt: ‘All you have to do is to locate him and to make him call, that’s all’.
Drie officiële taptolken overleggen en komen gemeenschappelijk tot de volgens hen enige juiste vertaling: ‘Alles wat je moet doen is hem lokaliseren en hem koud maken.’ Dat zinnetje wordt vervolgens het hoogtepunt in het requisitoir van de advocaat-generaal voor het Gerechtshof. Baybasin vraagt niet iemand een telefoontje te laten uitgaan, nee hij zet aan om iemand te liquideren.

 

Verstaan de tolken hun vak niet? Slordigheid? Is sprake van vooringenomenheid? In dezelfde door de tappolitie afgeluisterde gesprekken zou Baybasin nog een brisante bijdrage leveren voor de uiteindelijke aanklacht van het Openbaar Ministerie en het oordeel van het Gerechtshof tegen hem. In een telefoongesprek zegt hij: ‘I want him to deliver’ en Baybasin wil dat de Kentucky-man aan de andere kant van de lijn iets voor hem gaat doen. Weer gaan de drie taptolken in conclaaf en bedenken gezamenlijk de zin: ‘Ik wil dat die deze kant opkomt’- waardoor een aanvankelijk ontlastende tekst door een verkeerde en tendentieuze vertaling negatief uitpakt voor de verdachte.
Ton Derksen, wetenschapsfilosoof, vermaard om zijn onderzoek naar de gerechtelijke dwaling in de zaak van Lucia de Berk – die werd vrijgelaten – en gevreesd om zijn analyses van moordzaken waarbij de verkeerde personen zijn veroordeeld, Ton Derksen las de rare vertalingen ook. De zaak ging hem temeer fascineren, omdat, zoals hij schrijft, ‘de goede argumenten die ik bij advocaat Adèle van der Plas las aan dovemansoren gericht leken’. Hij kwam met haar overeen dat hij haar gehele dossier kon inzien op voorwaarde dat die toegang onafhankelijk zou zijn van de uitkomst van zijn onderzoek. Bovendien zou hij zich verre houden van alle complottheorieën die door anderen rondom de zaak zijn bedacht. Hij concentreerde zich op manipulatie van taps en wijdde zich vervolgens aan het ontrafelen van andere zaken die tegen Baybasin in stelling waren gebracht: de Öge-moord in een Turkse theetuin, een liquidatie in Kentucky die niet doorging en handel in heroïne. ‘In alle drie zaken vond ik opvallend veel bedrog en gemakzuchtige argumentatie inclusief volstrekte onzin en tegenstrijdigheden.’

Nadat hij alles had beschouwd, onderzocht en geanalyseerd kwam Derksen met een verbijsterend oordeel:

–   De tolken deugen niet. De vertalingen zijn op cruciale punten inadequaat. Belastende formuleringen zijn toegevoegd, ontlastende passages worden weggemasseerd, de Engelse vertalingen zijn een bron van ongerustheid. Er wordt op laaghartige wijze met de vertaling gerommeld.

–   De onafhankelijkheid van de tolken is een ‘luchtspiegeling’. Eén Turks-Nederlandse tolk, met als nickname TC, zegt dat hij de bron was van zes processen-verbaal van de Criminele Inlichtingendienst (CID) in de Baybasin-zaak. Volgens J.Koers, in het begin van de jaren negentig CID-officier van justitie, bestond een innige band tussen tolk TC en de Turkse politie. De tolk, alias de koning van de tapkamer, had nauw contact met de Turkse geheime dienst. Hij liep de deur in en uit van de Turkse staatssecretaris en van de minister van justitie. Hij was ook een vraagbaak voor de politiemensen van het kernteam Noord- en Oost-Nederland in Arnhem. In de drukste periode reisde TC vijftig keer per jaar van Nederland naar Turkije en omgekeerd.

–  Emin Arslan, hoofd van de Eenheid Drugs- en Georganiseerde Criminaliteit van de Turkse nationale politie en daarvoor hoofd van de inlichtingendienst smokkel, looft en prijst tolk TC voor de ‘succesvolle samenwerking tussen Nederland en Turkije’. In de zaak Baybasin was hij van onschatbare waarde.

Overigens – maar dat geheel terzijde – zijn op bevel van dezelfde Arslan in Turkije jongens in elkaar geslagen die getuigden dat de directeur-generaal van het ministerie van justitie J. Demmink hen had verkracht.

–  De betrouwbaarheid van de CID-informanten in Turkije, met wie de tolken samenwerken, is ver te zoeken. De informanten zijn anoniem, ze hebben allen de Turkse nationaliteit, niemand weet of ze de waarheid spreken of dat ze de instructies van de Turkse politie volgen. De zes processen-verbaal die tolk TC persoonlijk zegt te hebben opgesteld namens de CRI, zijn veelzeggend. Vijf gaan over drugs en drugsgelden en sterven een stille dood. De zesde gaat over een buslijn naar Sofia waar nooit meer van gehoord is.

 

Aanvankelijk schreef Ton Derksen op verzoek van Adèle van der Plas een rapport over zijn onderzoek naar de zaak-Baybasin. Later bedacht hij dat de affaire wonderwel past in de reeks Lucia de Berk en Olaf Hamers en besloot hij tot een nieuw boek, een vervolg over het Grote Falen van justitie. De publicatie kreeg als titel ‘Verknipt Bewijs: de zaak Baybasin’, bijna vierhonderd pagina’s dik, met een bloemlezing uit zesduizend telefoontaps, vreemde fantoomgesprekken, sjoemelende vertalers en manipulerende overheidsdienaren. ‘In het laatste hoofdstuk kon ik, na een overdaad aan multi gemanipuleerde taps, er niet onderuit te menen dat de Turkse en Nederlandse politie en het Nederlandse Openbaar Ministerie hoogstwaarschijnlijk bij het vervalsen van de taps hebben samengewerkt. Dat is de enige plausibele verklaring voor een groot aantal identieke fouten die bij de heroïne zaak, zowel in de Turkse politieverslagen als in de Nederlandse taps opduiken. Overeenstemming in waarheid vraagt geen verklaring behalve waarheidsliefde, een royale overeenstemming in fouten is een raadsel tenzij er een gemeenschappelijke bron is’, schrijft Derksen. Hij schrijft ‘geen idee te hebben hoever het bedrog zich uitstrekt’. ‘Het zou beperkt kunnen zijn tot een handvol manipulanten te midden van professionals die opgetogen zijn over zo’n mooi resultaat. Dat neemt niet weg dat advocaat Adèle van der Plas al jaren geleden zodanig heldere en krachtige argumenten heeft aangedragen dat het nooit tot een veroordeling had mogen komen.’

 

De wetenschapsfilosoof kende Baybasin niet toen hij aan het onderzoek begon. Maar anders dan een zekere rechercheur K. van het kernteam die vanuit Nederland de zaak onderzocht en die tegenover de rechter-commissaris verklaarde: ‘Het indrukwekkende aan deze zaak is dat Baybasin de grootste heroïnehandelaar van Turkije was. Dit is informatie die ik heb gelezen. Dit is een feit van algemene bekendheid,’ behield Derksen gezonde argwaan en had geen last van vooroordelen. En anders dan Wikipedia, dat de gemene deler tot norm verheft en Baybasin omschrijft als een ‘kurdish drug lord’ en ‘leader of a drug empire’, bleef Derksen vrij van stereotiepen. Het intrigeerde hem dat, volgens het Gerechtshof in Den Bosch, Baybasin veroordeeld is tot levenslang op grond van bewijsmateriaal dat voor negentig procent uit tapgesprekken bestaat. En over dat tappen is Derksen uiterst kritisch: ‘Die tapgesprekken geven een heel ander beeld. Bij analyse vervluchtigen alle belastende claims.’ En hij citeert Necdet Menzir, hoofd van politie in Istanbul in het begin van de jaren negentig als de definitieve afrekening met Baybasin wordt ingezet: ´Baybasins naam wordt met ieder voorval in verband gebracht maar als het bewijsmateriaal bekeken wordt is de man er nooit bij.´

 

Ondertussen leerde Derksen, uit alles wat hij leest en hoort, Baybasin beter kennen. Een Koerd, telg van een vooraanstaande familie uit Lice in het zuidoosten van Turkije. Door zijn grootvader aangewezen als toekomstig hoofd van een grote Koerdische clan. Als hij zeventien is vertrekt hij naar Istanbul waar een oom die politiecommissaris is hem introduceert bij mensen van de Turkse Deep State. Hij krijgt een paramilitaire opleiding die zich voltrekt in een afgesloten kamp in Istanbul waar hij leert hoe de staat drugshandel organiseert en hoe – volgens de klassieke methoden van CIA en andere geheime diensten – politieke bijeenkomsten van de staat onwelgevallige partijen kunnen worden verstoord. Een van methoden om rekruten aan hun omgeving te binden, zo schrijft Derksen in zijn boek, is om hen via een officiële rechtbank voor drugsbezit te laten veroordelen zodat ze een strafblad krijgen en gecriminaliseerd raken. Dat overkomt ook Baybasin, die zes maanden cel krijgt. Na zijn opleiding is Baybasin, namens de Turkse regering, actief in de handel in drugs. Bij een mislukte operatie van de Turkse Deep State in Engeland wordt hij opgepakt, veroordeeld en uitgeruild tegen een Engelsman die in Turkije veroordeeld is.
Dan breekt hij met de Turkse regering. Op een persconferentie onthult hij de grootschalige, internationale drugsactiviteiten van de Turkse staat, waar jaarlijks vele tientallen miljarden dollars mee gemoeid zijn. Hij wordt gearresteerd, gemarteld en duikt na zijn vrijlating onder in Turkije. Zijn naam staat op een lijst van Koerdische zakenmensen die geliquideerd dienen te worden. De toenmalige premier Tansu Çiller dreigt: ‘Wij kennen de lijst met zakenlieden en kunstenaars die met de Koerdische Arbeiderspartij samenwerken en we zullen er voor zorgen dat zij er een prijs voor betalen.’ Er staan in het begin elf à twaalf mensen op de dodenlijst, drie zijn nog in leven onder wie Baybasin.
Een paar jaar later wordt zijn gelijk over narcostaat Turkije bevestigd als in Susurluk een auto verongelukt waarin een hoge politiefunctionaris zit, een parlementariër, een maffiabaas met diplomatenpaspoort en een vriendin, en met in de achterbak een grote hoeveelheid drugs.

 

Voor de Criminele Inlichtingendienst, het kernteam Noord- en Oost Nederland en de financiële rechercheurs is de economische voorspoed van Baybasin een mysterie. Zijn grootvader is inmiddels overleden, Baybasin wordt hoofd van de clan en erft een vermogen dat hij inzet voor het vestigen van een handelsimperium en aanwendt om de Koerden economisch vooruit te helpen. Als hij in 1992 Turkije ontvlucht, woont hij eerst een aantal jaren in Zuid-Afrika en verhuist vervolgens naar Engeland. Hij verwerft twee hotels in Engeland, winkelpanden en een kapsalon in Londen. Hij is actief in de handel in bouwkavels, woningen, verkoop van elektronica, kopen en verkopen van exclusieve auto´s, neemt deel in bestaande fabrieken, zet nieuwe bedrijven op, exploiteert een marmermijn in Diyarbakir, zit in textiel, doet in tapijten en kristal. Hij is medeoprichter van het Koerdische parlement in ballingschap, organiseert Koerdische zakenmensen en richt de Koerdische televisiezender MED TV op die bericht vanuit België. In december 1995 wordt hij vanuit België naar Nederland gelokt en op de grens gearresteerd met de bedoeling uitgeleverd te worden aan Turkije. Maar de Nederlandse rechter verbiedt de uitlevering. Daarop begint het zogenaamde kernteam een eigen strafrechtelijk onderzoek tegen Baybasin.

 

De Criminele Inlichtingendienst en het kernteam begrijpen in hun pogingen de herkomst van de materiële zegeningen van Baybasin te doorgronden, niets van zijn voorspoed. Vier jaar lang worden financiële rechercheurs ingezet om boven tafel te brengen dat de opmerkelijke vermogensgroei van Baybasin veroorzaakt is door handel in drugs. Ze vinden niets.
In zijn boek zet Derksen het zakenmanscenario tegenover het drugsdealerscenario. Het eerste scenario wint op alle punten. Hij schrijft: ‘Ondanks de algemene kennis dat Baybasin de grootste drugsdealer van Turkije, zo niet van Europa was, bleek er in 1997 geen steekhoudend bewijsmateriaal voor deze stelling. Het Openbaar Ministerie moest evenwel bewijzen dat Baybasin een drugsdealer was en deed dat via ordinaire immunisering:
a: als Baybasin in het bewijsmateriaal voorkomt is hij een drugsdealer
b: als hij er niet in voorkomt is hij ook een drugsdealer.’
‘Maar dat is,’ zegt Derksen, ‘dat is geen empirisch onderzoek, dat is de zaak vernachelen.’ Eén man wist in 1996 dat de bewijzen volstrekt onvoldoende waren. Dat was de CID officier van justitie Jan Koers. Hij zei: ‘Ik ben verschillende keren benaderd om Baybasins zaak aan te pakken en ik heb altijd gezegd dat er voldoende aanwijzingen moeten zijn. Die bewijzen zijn mij toen nooit geleverd. Ik vond het opvallend dat er later wel genoeg bewijs was.’

 

Buiten Nederland is de reserve groter over de manier waarop Baybasin wordt aangepakt. Meir Dahan, een generaal in het Israëlische leger, vertelt voor de Raad van State over zijn contacten met de Koerdische zakenman. Hij zegt nooit enige criminele activiteit bij hem te hebben opgemerkt, er is nooit over illegale zaken gesproken. Hij zou, zei Dahan, nooit contact met Baybasin hebben mogen opnemen als bij zijn meerderen maar enige kennis had bestaan over criminele zaken. De o zo machtige geheime dienst van Israël zou onmiddellijk hebben ingegrepen.
Een Russische Interpol rechercheur ontmoet Baybasin met regelmaat, in Brussel en een keer twintig dagen lang in Parijs. De rechercheur wil alles weten over de betrokkenheid van Turkije bij de internationale drugshandel. De Rus laat Adèle van der Plas weten: ´Most important was that, in that time, I asked Interpol to provide me with information about Hüseyin Baybasin and they informed me that they checked him continuously and that nothing was known about any involvement of his in drug trafficking or other crimes.´
De FBI en de Belgische geheime dienst hebben eveneens nooit belastend bewijsmateriaal gevonden
Dan is er nog Engeland, althans Her Majesty´s Customs and Excise, de Britse opsporingsdienst van in-en export van drugs. Brian Jones, special secret British agent bij Customs, zoekt Baybasin op als die in Johannesburg woont. Jones laat weten dat de Britse autoriteiten very keen zijn hem te ontmoeten en met hem samen willen samenwerken. Baybasin stemt toe op voorwaarde dat zijn familie, inclusief broers en zusters, zich in Engeland mogen vestigen. De Engelse autoriteiten op hun beurt eisen dat de familie Baybasin zich onderwerpt aan een uitvoerige inspectie. Zijn alle bezittingen legaal verworven? Deugen de familieleden? Is er reden om aan te nemen dat iemand van de clan zich in de toekomst schuldig zal maken aan strafbare zaken? De familie doorstaat de check en mag blijven.
In 1996 en nog een keer in 1997 brengt een civil servant van Customs het ministerie van justitie in Den Haag op de hoogte dat Baybasin gesprekspartner is van de Britse autoriteiten en dat hij nuttige informatie aandraagt over de rol van Turkije in de internationale drugshandel. Dat dringt nauwelijks door tot de speurders van het kernteam. De teamleider vertelt de rechter-commissaris later dat ‘het moeilijk te taxeren was wat nu precies de verhouding was tussen Customs en Baybasin’. De officier van justitie is ook ingelicht. Ze nemen de Britse zegslieden niet serieus, ze onderzoeken niets. Want de Criminele Inlichten Dienst zelf is bezig de slag van de eeuw te slaan. Daarbij wordt niets geschuwd.

 

Een Turkse politieman, in het dossier aangeduid als X2, vertelt dat het zijn taak was bewijsmateriaal aan te leveren dat tot de veroordeling van Baybasin moest leiden. Hij is expert in het manipuleren van taps. Zijn baas had hem duidelijk gemaakt dat het ‘bij het beluisteren van de taps nodig is dat op een heel uitdrukkelijke manier tot uiting komt dat Hüseyin Baybasin handelde in verdovende middelen en opdrachten tot moord gaf’. X2 legt het zo uit: ‘Dat zijn dingen die technologisch door montage kunnen worden opgelost. Je monteert andere stemmen en gesprekken in het bewijsmateriaal. Dat is niet een vaardigheid die uitsluitend de Turkse politie bezit, Nederland kan dat ook.’
Ing. J.W.M. van de Ven, specialist in telecommunicatie, laat weten dat het veranderen van taps ‘een fluitje van een cent is’: ‘Gemanipuleerde gesprekken kunnen van buiten aangeleverd worden en vervolgens tussen oude gesprekken worden ingevoegd. Woorden kunnen worden toegevoegd of weggehaald, het is pijnlijk om onder ogen te zien maar realistisch.’ In zijn onderzoek naar een gesprek komt Van de Ven tot tenminste twintig knipmomenten en dat is manipulatie.
Rob Gonggrijp, oprichter van XS4All, bedreven hacker die alle wegen kent om in te breken in digitale systemen, voegt toe: ‘Manipuleren is technisch op heel veel manieren mogelijk’. Desgevraagd wil hij dat altijd demonstreren.
In zijn arrest noemt het Hof expliciet zestien gesprekken als bewijsmateriaal. Derksen heeft elf van die gesprekken bestudeerd. Hij constateert dat alle taps door manipulatie zijn geïnfecteerd. Bij zes van de tien is eveneens sprake van vertalingsgesjoemel. Samen komt hij tot negentig indicaties voor manipulaties en elf aanwijzingen voor vertalingsgesjoemel. ‘Ook in andere, niet specifiek door het Hof genoemde taps ben ik tegen vele signalen van manipulatie en vertalingsgesjoemel aangelopen.’

 

Maar de advocaat-generaal voor het Hof wil daar allemaal niets van weten. Hij vaart volledig op het kompas van prof. dr. A.P.A.Broeders, verbonden aan het degelijke Nederlands Forensisch Instituut. Die heeft hem gezegd dat hij op basis van de auditieve methode die hij hanteert ‘geen indicaties van gemanipuleer heeft aangetroffen’. Broeders kan manipulatie theoretisch niet helemaal uitsluiten maar manipulatie in de zaak Baybasin acht hij ‘hoogst onwaarschijnlijk’. Het Hof, dat zijn bewijslast voor negentig procent baseert op getapte gesprekken, kent na het zien van de rapporten van Broeders geen enkele aarzeling. Het is niet ‘aannemelijk geworden dat de telefoongesprekken zijn gemanipuleerd’. Ook wat de vertalingen betreft volgt het Hof deskundige Broeders van het Nederlands Forensisch Instituut. De hoogleraar, die overigens geen kennis heeft van de Turkse taal, laat weten dat ‘in de vertaling geen majeure afwijkingen zijn vastgesteld van de gesproken tekst’.
Derksen is verstoord over de adviezen van Broeders aan het Gerechtshof. Hij omschrijft die als ‘voorbarige conclusies’: ‘Hij kon in rede niet tot hoogst onwaarschijnlijk besluiten omdat hij niet weet welke resultaten andere relevante onderzoeksmethoden zouden hebben opgeleverd. Broeders had het Hof moeten voorlichten dat zijn uitkomst niets meer zegt dan dat hij met zijn beperkte methode geen indicaties van manipulatie heeft gevonden. En hij had daaraan moeten toevoegen dat waarheidsvinding bij onderzoek met andere relevante methoden gebaat was.’
De egards waarmee de advocaat-generaal in het Gerechtshof prof. Broeders tegemoet treedt verandert in dedain als de hoogleraar Turkse en Koerdische studies dr. M.van Bruinessen als getuige-deskundige verschijnt. Het gaat over het onderwerp de moord in de theetuin en Van Bruinessen kent het woord contract in het Koerdisch niet in de betekenis van een contract om te liquideren.
De advocaat-generaal reageert daarop neerbuigend: ‘Met name op dit punt, de kennis van de criminele ‘slang’ van Lice en omgeving, zou prof. Van Bruinessen wel eens te kort kunnen komen.
‘Want wat de advocaat-generaal met al zijn kennelijk ruime criminele ervaring wel weet is dat een contract maken de Koerdische uitdrukking is om met iemand overeen te komen een ander te doden,’ schrijft een gepikeerde Derksen: ‘Ik kan me niet meten in criminaliteit met de advocaat-generaal maar ik vraag me wel af waar hij zijn wijsheid vandaan haalt. Zeker, in het Amerikaanse slang komt contract voor in de betekenis van an order to murder an individual, maar dat is Amerikaanse slang.’
De sfeer tussen de advocaat-generaal van het Hof en de hoogleraar wordt alsmaar geladener. Van Bruinessen, die al eerder een onaangenaam oordeel heeft gegeven over politietolken (ze zijn ‘slordig’ en produceren ‘onvolledige vertalingen’) en die heeft gezegd dat een door hem onderzocht getapt gesprek in feite een compositie is van meer gesprekken, wordt gevraagd nog een keer goed naar een tap te luisteren. Hij hoort iets als boxçe en dat is vertaald een buidel en kan ook worden geïnterpreteerd als vluchteling. Wat Van Bruinessen op de tap hoort past meestal niet bij baxçe, uitgesproken met een lang a wat tuin betekent en wat de advocaat-generaal wil horen: de theetuin waar de moord is gepleegd. En van die gebeurtenis moet Baybasin daderkennis hebben. De advocaat-generaal relativeert daarop de deskundigheid van de specialist: ‘In zijn verklaring geeft professor Van Bruinessen meermalen aan niet of niet te goed te kunnen verstaan wat gezegd wordt, bepaalde woorden niet te kennen en niet zeker te zijn van bepaalde woorden die hij hoort. Een zekere relativering van zijn deskundigheid is daarmee gegeven.’

 

Nog even terug naar Kentucky, waar de spanning om te snijden is. Uit een veelheid van taps is het Openbaar Ministerie ervan overtuigd dat een poging tot liquidatie aanstaande is. Drie mannen zijn ingehuurd om een zeker dr.Kamyar M., verbonden aan de universiteit van Kentucky, ‘koud’ te maken – dat is wat de Nederlandse speurders tenminste hebben opgevangen uit het getapte gesprek met de lugubere boodschap ‘to make him call’. Kamyar moet koud worden gemaakt, en Baybasin zit er achter. Het praten over auto’s van de aanstaande moordenaars zou verbonden kunnen worden met de handelsactiviteiten van Baybasin. Maar het OM is ervan overtuigd de code gekraakt te hebben. ‘Auto’ betekent ‘moord’ en wel die op Kamyar. Er is wederom gesproken over het tekenen van een contract en dat heeft natuurlijk alles te maken met een nieuwe liquidatie. Een moord is aanstaande. De hitman is al in Lexington gearriveerd en staat klaar om toe te slaan. Undercover agenten zijn ingezet om het kantoor van Kamyar te observeren. Het OM als Kuifje in Kentucky. Een hilarische geschiedenis. Een beetje het verhaal uit Scoop van Evelyn Waugh. Er wordt niet geschoten, er is geen moord en geruisloos dooft de affaire als een nachtkaars.
Op 1 juli 2006 schrijft Malcolm Miatt, FBI-agent, aan Adèle van der Plas: ‘More recently, I have particularly asked the FBI if there were any warrants against mr.Baybasin with regard to the Kentucky-murder. I was told categorically that there were no warrants whatsoever relating to mr.Baybasin in the USA. I asked the FBI to find out more precisely about this Kentucky case and I was told by a Kentucky FBI official that he has no knowledge about this case and that it is his strong belief that the Dutch suspicion was just nonsense.’ De officier van justitie oordeelt anders. Hij ziet de goedheid van de mensen en verklaart het afdruipen van de zogenaamde huurmoordenaars ‘als een oprisping van het geweten’.
En het Hof is niet onder de indruk van de rare vertaling van ‘to make him call’ in ‘koud maken’, liquideren. De reactie in het arrest luidt: ‘Gelet op de hiervoor geschetste achtergrond, waarbij het er niet om gaat of er foutloos vertaald is, maar of de essentie van het besprokene correct is weergegeven, kunnen deze fouten niet echt imponeren.’

 

Na de uitputtende opsomming van alles wat mis is gegaan in de zaak-Baybasin besluit Ton Derksen: ‘Als deze cocktail van selecties nog wordt aangevuld met bedrog dan is de zaak voor de onschuldige schier uitzichtloos. De rechter is slecht geëquipeerd om bedrog te ontdekken. Om tot zijn oordeel te komen gaat hij uit en moet hij uit kunnen gaan van de ambtseed van politiemensen, de onkreukbaarheid van OM-ers en de integriteit van het dossier. Een betrouwbare politie, een betrouwbaar OM en daarmee een zo betrouwbaar mogelijk dossier zijn het fundament van zijn oordelen. Als hij daar niet vanuit kan gaan, valt de bodem uit het rechtssysteem.’

 

*Rudie van Meurs is voorzitter van de Bakker Schut stichting